Als toezichthouders zijn De Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten aangewezen. Die dienen erop toe te zien dat pensioenfondsen en pensioenverzekeraars zich aan de nieuwe regels houden. In dit artikel belichten we een paar belangrijke wijzigingen. Van voorziening naar overeenkomst Vroeger heette het een pensioenvoorziening, sinds de invoering van de Pensioenwet heet het een pensioenovereenkomst. De werknemer is nu veel meer betrokken bij zijn pensioen dan onder de oude wet. De pensioenuitvoerder is verplicht hem op gezette tijden te informeren over het opgebouwde pensioen. Maar ook de ex-werknemer die een pensioen heeft opgebouwd, de ex-partner van de werknemer en de gepensioneerde hebben recht op informatie. Het contract tussen de werkgever en de pensioenuitvoerder gaat trouwens de uitvoeringsovereenkomst heten. Medezeggenschap Als de uitvoering van de pensioenovereenkomst in handen is van een pensioenfonds, moeten de deelnemers medezeggenschap krijgen bij het beleid van het fonds. Een bedrijfstakpensioenfonds is verplicht een deelnemersraad in te stellen. Een ondernemingspensioenfonds kan kiezen tussen een vertegenwoordiger van de gepensioneerden in het bestuur of een deelnemersraad. De Pensioenwet geeft ook voorschriften voor de zetelverdeling tussen gepensioneerden en werknemers. Pensioenovereenkomst gaat direct in Iedere nieuwe werknemer van 21 jaar en ouder moet binnen een maand deel gaan nemen aan de pensioenvoorziening van de werkgever. De werkgever verstrekt hem binnen drie maanden na zijn indiensttreding een startbrief. Daarin wordt in begrijpelijke taal uitgelegd hoe de pensioenvoorziening precies is opgezet. De Pensioen- en Spaarfondsenwet noemde geen toetredingsleeftijd, maar in de praktijk was het meestal 23 jaar. Ook de startbrief is een nieuwtje. Overigens mag de werkgever ook werknemers die jonger zijn dan 21 tot de pensioenregeling toelaten. Wie ouder is dan 21 en voor het eerst gaat sparen voor zijn pensioen, kan niet eisen dat de misgelopen jaren worden ingehaald. Niet bij zijn huidige werkgever, en ook niet bij een eventuele vorige werkgever. Verplichte deelname Een werknemer kan zich niet meer onttrekken aan deelname aan de pensioenregeling van de werkgever. De C-polis, de polis waarbij de verzekeringnemer niet de werkgever maar de werknemer is, gaat verdwijnen. Er komt nog een overgangsregeling voor de bestaande C-polissen, maar een nieuwe afsluiten kan niet meer. Bewijslast pensioentoezegging De werkgever is niet verplicht een pensioen toe te zeggen. Als hij echter één medewerker een pensioen toezegt, dient hij meteen ook een regeling te treffen voor al diens collega’s. C-polissen mogen immers niet meer. De bewijslast voor de pensioentoezegging is in de nieuwe Pensioenwet omgedraaid. Niet de werknemer moet aantonen dat een pensioen is toegezegd, de werkgever moet aantonen dat hij géén pensioen heeft toegezegd. Een beetje versimpeld komt het hierop neer. Werknemer X zegt: ‘Maar collega Y krijgt een pensioen, dus ik heb ook recht op een pensioen.’ Dan moet de werkgever aantonen dat collega Y géén pensioen krijgt. Opeisbaarheid pensioen Onder de oude wet vervielen de pensioenaanspraken als ze na tien jaar nog niet waren opgeëist. De Pensioenwet laat die termijn vallen. De deelnemer aan een pensioenregeling kan tot zijn dood nog het pensioen opeisen waar hij recht op heeft. Berekening tijdsevenredige aanspraak In de Pensioen- en Spaarfondsenwet was de uiteindelijke aanspraak op pensioen het verschil tussen de totale aanspraak tot de pensioendatum en de aanspraak van de datum van ontslag tot aan de pensioendatum. De nieuwe Pensioenwet komt met een simpeler berekening: de uiteindelijke aanspraak is nu het aantal dienstjaren x het opbouwpercentage x de pensioengrondslag. Bij premievrijmaking blijft de actuele waarde het uitgangspunt voor de beschikbare premie. Het pensioen van de DGA Onder de oude wet was het heel gebruikelijk dat de directeur-grootaandeelhouder (DGA) van een bedrijf zelf deelnam aan de pensioenregeling voor zijn personeel. Sinds de invoering van de Pensioenwet mag dat niet meer, al blijven bestaande regelingen doorlopen. Alleen de definitie van een DGA is niet veranderd: dat is iemand met minstens tien procent van de aandelen. De DGA’s zijn de enigen in hun bedrijf die zelf hun pensioen mogen en moeten regelen. Dat mag de DGA in eigen beheer doen, bijvoorbeeld via een pensioen-BV, waaraan hij pensioenpremies betaalt. Hij mag ook een pensioenuitvoerder inschakelen. Dat zal meestal een verzekeraar zijn. Ten slotte mag hij een deel in eigen beheer houden en een deel onderbrengen bij een verzekeraar. Op die manier kan hij bijvoorbeeld een scheiding aanbrengen tussen zijn eigen pensioen en het partnerpensioen. Voor het deel dat de DGA in eigen beheer regelt, heeft hij geen recht op waardeoverdracht van pensioenaanspraken en evenmin recht op tijdsevenredige aanspraken bij ontslag. Dit is vooral van belang voor een DGA met een minderheidsbelang. Die krijgt bij ontslag alleen een tijdsevenredige aanspraak mee als dat uitdrukkelijk is vastgelegd. Het deel dat de DGA bij een verzekeraar onderbrengt, wordt beschermd door de Pensioenwet. Daarvoor bestaan de rechten op waardeoverdracht en tijdsevenredige aanspraken wel. Sijtze Reurich |
||||||
|